Terug naar Van alles wat

Zomaar wat gedachten spinsels

Zaterdag 31 januari 2009

Ken ut nie.

Ik ben net neergestreken op een oud gammel bankje. In het versleten bruine zwarte hout staat een groot hart gekerfd met daarnaast Nico Loves Marga. Misschien zijn ze allang gescheiden of hebben ze nu vier koters. Ik laat mijn gedachten verder dwalen en zie een gerimpelde Nico en uitgezakte Marga voor me met hun snotterende koters en een zwarte Labrador, ze hebben ruzie over de hypotheek en de koters janken. Ik laat die deprimerende gedachte los en kijk naar de gele gedeukte afvalbak. Die puilt aan alle kanten uit, ook in het gras en de aarde ernaast ligt het vol met rotzooi. De tekst “Gezond en toch Lekker” schreeuwt me tegemoet vanaf de resten van een plastic verpakking. Het lijkt wel alsof de mensen in het weekend hebben geprobeerd, om met een soort basketbalworp, de prullenbak te halen. Voor de meeste was het kennelijk een te zware opgave, net zoals trouwens drie stappen extra zetten om het er dan gewoon in te gooien.

Ik kijk om me heen en geniet van de omgeving. Net uitlopende hoge kastanjes en oude eiken, met daarnaast al groen wordende heesters. Het is een schitterende dag, de opkomende oranje zon glinstert op het water in het park en de jonge blaadjes ritselen in een lekker koel briesje. Het is nog vroeg en het park komt net tot leven. De vogeltjes fluiten en fladderen naar lieve lust en de eenden zitten elkaar achterna en kwaken je oren van je kop.

Aan de overkant laat een jong meisje, met twee blonde staartjes, haar hondjes uit. Twee teckels, een oude bruine en een kleinere, zo te zien stuk jongere, zwarte, die voorzichtig door het natte gras lopen, bang om een nat buikje te krijgen. Ze trekt eens aan haar verdeelstekker om ze mee te krijgen. Kennelijk heeft ze haast om naar school te gaan. De hondjes spartelen nog wat tegen, maar volgen dan toch, elkaar ondertussen vrolijk in de oren bijtend. Haar nastarend zie ik haar korte rode rokje, dat vrolijk wappert in de wind, om de hoek verdwijnen. De eenden komen tot rust en beginnen aan een soort graastocht tussen het net opgeschoten riet. Daar is kennelijk iets lekkers te vinden, ze gaan er helemaal in op.

Aan de overkant zie ik een grote vin tussen het jonge riet en plotseling draaien er twee brasems om elkaar heen door het water. Ja, het is duidelijk, het is voorjaar.

Terwijl ik daar zittend op dat bankje geniet van de omgeving komt er, over het schelpenpad, een oude baas met een rollator aanschuifelen. Het gaat moeizaam, zo ongeveer om de drie stappen duwt hij zijn bril, zo een met grote glazen met daarin zo’n klein extra venstertje om te lezen en natuurlijk met een dik zwart monteur, terug op zijn neus. Maar, omdat hij voorover leunt op zijn rollator en daarbij voortdurend naar beneden kijkt om te zien of hij nergens over struikelt, is dit gevecht tegen de zwaartekracht ondertussen een gewoonte gebaar geworden. Ook als de bril nog goed zit, geeft hij het ding een ferme duw. Een randje wit haar, ongeveer een half cirkeltje, wappert heen en weer in de wind. Hij is zo te zien al een aantal maanden niet meer bij de kapper geweest. Aan de achterkant krult het randje over zijn kraag heen en staat daar weer parmantig omhoog. Net alsof het terug wil groeien om de rest van zijn hoofd te bedekken.

Hij is nu bijna bij mijn bankje. Ik hoor hem mompelen “wat een klere zooi, ze doen ook maar tegenwoordig” terwijl hij om de troep naast de prullenbak schuifelt. “Morge” en hij knikt in mijn richting, ik brom “morge” terug en denk hoezo morge het is toch vandaag? Ik laat die zinloze gedachte maar gaan en kijk hoe de oude baas voorzichtig, steunend op z’n helblauwe rollator met een schuin oog naar het bankje loert. Er wordt wat gedraaid en gewrongen en dan, met een zucht laat hij zich achterover op het bankje ploffen. Ik schik ervan, want hij knalt haast naast het uiteinde van het bankje, maar het gaat nog net goed. “Klere, ik zit” zegt hij, “ja, dat ging nog net goed” brom ik. Daarna wordt het weer stil, we kijken samen in het rond naar de bomen, heesters, vogeltjes en de nog steeds rond draaiende brasems. “Zo, die hebben er zin in” zegt hij. “Ja, je kunt wel zien dat het voorjaar is, dan heeft iedereen er zin in” antwoord ik. “Nou ik anders niet” mompelt hij en er schiet een grote rochel tussen zijn lippen uit die midden op het schelpenpad uiteen spettert.

De eenden stoppen opeens met grazen en komen tussen het riet vandaan, net alsof ze komen kijken wat er aan de hand is. De vogels stoppen met fluiten en springen wat onrustig in het gras heen en weer. De eenden verzamelen zich nu ook voor het bankje op het grasveld en snateren zenuwachtig in het rond. “Ja ja” mompelt hij “ik kom er aan”. Uit zijn zak frommelt hij een grote plasticzak met brood resten. Nu wordt de rust echt verstort. Alles op het grasveld rent piepend, snaterend en fladderend op de oude baas af. Hij strooit kwistig al de resten links en rechts in het gras en de beesten doen zich duidelijk tegoed aan zijn geste. Als de zak leeg is gooit hij hem in de richting van de prullenbak. Hij valt ernaast in het gras en hij mompelt “het is toch al een teringzooi, ze komen ook niet vaak genoeg die bakke lege”.

Aan de overkant komt een fietser met daar achter een bagagekar aanrijden. Vlak voor onze neus stopt hij en begint zijn kar te legen. Op het gras om hem heen tekent zich na een tijdje een bonte verzameling visspullen af. De oude baas naast mij mompelt “hij gaat zeker vissen”. “Ja” zeg ik, “ik denk niet dat hij gaat surfen”. Hij kijkt mij achterdochtig aan en perst opnieuw een flinke rochel tussen zijn lippen uit die nu ongeveer vijftien centimeter voor mijn schoenen uiteenspat. “Bijdehand” mompelt hij en draait zijn rug iets meer naar me toe.

Vanaf de rechterkant nadert een bakfiets van de gemeentereiniging. Bij elke prullenbak stopt hij, leegt hem en begint dan de klerezooi rondom de prullenbak bij elkaar te schrapen en op te ruimen. Hij stopt nu bij onze prullenbak. “Goede morgen” roept hij vrolijk, wij mompelen zoiets van “morge” en kijken naar de vorderingen van het uitpakken aan de overkant. De man naast ons is nu rondom de prullenbak aan het vegen en de oude baas zegt “wat make die gaste er een teringzooi van hè!”. De man reageert niet. Ook ik slik mijn commentaar in en kijk hoe de visser zijn hengel optuigt, goed gaat zitten, zijn dobbertje uitpeilt, een made op de haak plaatst en begint te vissen.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de man van de reinigingsdienst ondertussen de volgende prullenbak nadert en al fluitend aan de gang gaat. Een aantal spreeuwen zijn hem gevolgd en doen zich tegoed aan de opspringende restjes etenswaar.

“Klere” klinkt het vanaf de overkant, de visser staart naar het topeind van zijn hengel waar nog ongeveer tien centimeter visdraad heen en weer wappert. Ik glimlach, de oude baas naast mij mompelt “ja, je ken ut of je ken ut nie”. De twee brasems zijn verdwenen en iets verderop zie ik het dobbertje langzaam aan de oppervlakte naar links verdwijnen. Ook de visser kijkt het dobbertje met een trieste blik na en zegt opnieuw “klere, da’was geen kleine” en begint zijn hengel af te steken.

Hij kijkt op, ziet mij glimlachen en roept “da’was een joekel man. Zag ie ut?” Ik knik van ja en steek mijn duim op, daarna spreid ik mijn armen om aan te geven hoe lang ik denk dat hij was en de visser roept lachend “ja, minstens”. Daarna concentreert hij zich op het maken van een nieuw tuigje. De oude baas bromt “onzin, hij ken gewoon nie visse” en legt opnieuw een rochel op het schelpenpad.

Tussen het net groeiende lichtgroene wuivende riet aan de overkant is de kalende visser druk in de weer met het peilen van zijn nieuwe tuigje. Regelmatig veegt hij met zo’n rode boerenbonte zakdoek het zweet van z’n hoofd. De enkele haren die er nog staan zie ik hiervandaan alle kanten opspringen. Er wordt wat lood toegevoegd, daarna weer wat eraf, dan weer iets erbij en tegelijkertijd wordt het smalle roodgroen gekleurde pennetje steeds een heel klein stukje verzet. Na een nieuwe rochel bromt de oude baas “wat een geklooi, hij ken eg nie visse”. Volgens mij valt dat nogal mee, maar ik zeg maar niets en brom alleen een soort van “hmm” terwijl ik aandachtig naar het millimetertje rood staar dat net boven het glanzende, kabbelende wateroppervlak tussen het daar nog drijvende oude donkergroene kroos van de vorige zomer uitsteekt.

Zo af en toe drijft er wat van het kroos tegenaan en verdwijnt het puntje onder water om dan even later weer tergend langzaam op te duiken. Een eend zwemt rakelings langs het rode puntje en hapt ernaar, net mis. Hij ziet nu waarschijnlijk dat het niet eetbaar is en zwemt verontwaardigd snaterend verder. De visser reageert niet en blijft, terwijl hij puffend een vies bruingrijs petje opzet tegen de zon die nu als een koperen ploert aan de hemel staat, onafgebroken naar het rode puntje staren. Er gaat iets hypnotiserends vanuit, net alsof we allebei verwachten dat er straks een of ander wonder staat te gebeuren. Door het turen, de zon en de golfslag lijkt het nu net alsof het dobbertje stilstaat en de rest van de wereld heen en weer golft.

Plotseling gaat het rode puntje van het roodgroene pennetje een stukje naar links en trilt wat in de ochtend zon. De visser strekt zijn arm uit naar de hengel, klaar om op te slaan, maar doet nog niets. De oude man mompelt “zie je wel hij ken ut nie, had al op motte slaan, nou issie te laat” en ik zie vanuit mijn ooghoek de volgende vies groenbruin gevlekte rochel in de richting van mijn schoenen verdwijnen. Op dat moment begint het pennetje te trillen en komt langzaam omhoog, de visser pakt de hengel beet, maar blijft dan al starend naar zijn dobbertje bewegingloos zitten.

De spanning giert door mijn lijf en ik wil net schreeuwen sla nou op, als opeens het dobbertje omvalt en met een noodgang naar de diepte schiet. De visser geeft een tikkie met z’n hengel die gelijk ongeveer vanaf het midden begint te buigen. Hij geeft wat mee en begint dan langzaam en voorzichtig met het afsteken van z’n hengel ondertussen kalm de vis naar de kant drillend.

Na een tijdje verschijnt de witzilveren bek van de vis aan het oppervlak en wat voor een bek, een joekel van een bek. Rustig schuift de visser het net van zijn schepnet onderwater en heel, heel langzaam trekt hij de vis er naar toe. Als de vis boven het schepnet komt tilt hij de rand iets boven water en trekt het schepnet met de steel naar boven aan de kant. Ik zie een knoert van een vis op de kant verdwijnen, die door de visser in alle rust van zijn haak wordt ontdaan. Het was duidelijk, dit had hij vaker gedaan.

De oude man mompelt “wat een mazzelaar, hij ken ut helemaal nie en dan toch vange. Beginnersgeluk”.

De visser tilt met twee handen de grote zilverkleurige vis op en draait hem mijn kant op “Brasem, 97 cm” roept hij. Ik steek mijn duim op “mooie vis, goed gedaan” roep ik.

“Ik ga er vandoor” zeg ik tegen de visser en de oude man. “Ik ook” zegt de oude man “anders krijgt ik niks te vrete”. We staan beide op en hij gooit een prop papier in de richting van de schone geleegde prullenbak. Mis. Ik steek mijn hand op naar de visser die terug groet en zeg terwijl ik de prop papier uit het gras haal en in de prullenbak gooi tegen de oude baas “Jij ken ut nie”

Zomâh wat gedachtuh spinsels (poging in ut haags)

Ken ut nie.   Ik ben net neiâhrgestreken op un oud gammel bankjuh In ut veâhrsletuh bruine zwagtuh hout staat un groât hart gekeâhrfd met daâhrnaast Nico Loves Marga. Misschien zèn ze allang geschèden of hebbuh ze nu vieâh koteâhrs. Ik laat me gedachtuh veâhrdeâh dwalen en zie un geâhrimpelduh Nico en uìtgezaktuh Marga voâh …

Geef een antwoord

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.